In een overgangsgebied van bos naar duinlandschap staat tussen de grove Dennen een stoere villa. Het huis is als abstract object verankerd in het glooiende landschap en lijkt door het materiaalgebruik als een rots uit de grond omhoog te komen. In het ogenschijnlijk eenvoudige contrast tussen landschap en gebouw is sterke wisselwerking. Zo zijn de glooiingen in het maaiveld versterkt, waardoor daglicht tot op het kelderniveau naar binnen kan treden. Van binnenuit biedt deze ingreep bijzonder zicht op de tuin. De ene zijde van het huis toont de drie volle lagen en aan de andere zijde ligt het juist meer verscholen in het boslandschap.
De sculpturaliteit van het bouwwerk reageert op het omliggende landschap. Het 'duwt' enkele volumes en buitenruimten naar buiten. Zo worden de terrassen geen onderdeel van de tuininrichting, maar zijn ze een gebouwd verlengstuk van de woning.
Ook in materiaalgebruik is er een sterke dialoog tussen gebouw en landschap. De steenachtige gevel verankert de woning met de grond en het naaldhout in de gevels refereert rechtstreeks naar de Dennen in het bos. Zo wordt het huis in vorm en materiaal een door de mens geabstraheerde reactie op de landschappelijke context.
Een belangrijk thema in de woning is de ruimtelijkheid tussen de drie verdiepingen. Vanaf de kelder tot de eerste verdieping is een vide die alle woonlagen met elkaar verbindt. Vanaf de voordeur zijn er zichtlijnen, die de relatie van het huis met de tuin op 3 niveaus versterkt. Aan deze vide zijn functies als toilet, garderobe en kasten geplaatst. De borstweringen en de trappen in de vide lopen hier vloeiend in door en zorgen voor een sculpturale verbinding tussen de drie verdiepingen.
Bewegend door het huis wordt je steeds weer verrast door een andere blik op het landschap.